Inleiding
Hoewel de Wet Bibob een landelijke wet is, blijkt uit onderzoek[1] dat de toepassing ervan sterk varieert tussen gemeenten. Die verschillen zijn zichtbaar in het beleid en de uitvoering in de praktijk. Hierdoor kan eenzelfde vergunningaanvraag in de ene gemeente soepel worden afgehandeld, terwijl in een andere gemeente een uitgebreide Bibob-onderzoek volgt.
In de eerste blog werd een overzicht gegeven van de Wet Bibob en de toepassing ervan binnen de nieuwe Omgevingswet. Deze tweede blog is gebaseerd op een analyse van Bibob-beleidsdocumenten van meerdere gemeenten en op interviews met Bibob-coördinatoren en een vergunningverlener van Gelderland en Brabant. Samen geven deze bronnen inzicht in hoe gemeenten omgaan met hun beleidsvrijheid en welke gevolgen dat kan hebben voor de praktijk.
Beleidsvrijheid leidt tot verschillen
De Wet Bibob geeft bestuursorganen beleidsruimte om zelf te bepalen wanneer en op welke gronden zij een Bibob-toets inzetten. In deze beleidsregels mogen zij bijvoorbeeld bepalen:
- Welke sectoren als risicofactor worden aangemerkt;
- Welke drempelbedragen gelden bij bijvoorbeeld bouwactiviteiten;
- In welke gebieden extra scherp wordt getoetst.
Lokale omstandigheden
De manier waarop dit beleid wordt vormgegeven, kan in de praktijk samenhangen met lokale omstandigheden. Gemeenten kunnen het Bibob-instrument verschillend inzetten op basis van lokale omstandigheden. In gemeenten waar integriteitsrisico’s minder spelen, kan Bibob minder de prioriteit krijgen. In gemeenten waar sprake is van een verhoogde risicodruk, kan Bibob juist intensiever worden toegepast.
Onderlinge samenwerking
Sommige gemeenten stellen hun Bibob-beleid op in samenwerking met omliggende gemeenten. Dit doen zij onder andere om het zogenoemde ‘waterbedeffect’ te voorkomen. Dit is de situatie waarin een ondernemer die in de ene gemeente wordt afwezen, eenvoudig kan uitwijken naar een omliggende gemeente met minder streng beleid. Door regionale samenwerking proberen gemeenten onderlinge verschillen te beperken en gezamenlijke risicocategorieën af te stemmen.
Ontbrekende motivering
Hoewel de onderzochte gemeenten vaak vergelijkbare sectoren aanwijzen als risicovol, is vaak niet duidelijk waarom juist deze sectoren zijn gekozen. Deze motivering ontbreekt in beleidsdocumenten en de Bibob-coördinatoren konden in interviews deze keuze vaak niet toelichten. Dit roept de vraag op over de actualiteit van risicocategorieën en het belang van een onderbouwde herziening hiervan.
Beleidsmatige verschillen
Uit de beleidsanalyse blijkt dat de hoogte van drempelbedragen bij bouwactiviteiten sterk varieert. Sommige gemeenten hanteren een relatief laag bedrag van €50.000 om ondermijning vroegtijdig te kunnen signaleren, terwijl anderen kiezen juist voor hogere drempels van €500.000 en zelfs overwegen die verder te verhogen vanwege de stijgende bouwkosten.
Tegelijkertijd kiezen sommige gemeenten ervoor om helemaal geen drempelbedragen op te nemen, maar juist te kijken naar het soort en de eventuele risico’s of signalen van een aanvraag.
De uitwerking van het drempelbeleid verschilt ook in detail. Sommige gemeenten werken met meerdere niveaus: bij bouwkosten boven de €500.000 vindt standaard een Bibob-toets plaats, terwijl bij bedragen tussen €50.000 en €500.000 alleen getoetst wordt wanneer sprake is van een risicocategorie, herhaalde aanvragen binnen een jaar, een risicogebied of bij een illegale bouwstart. Andere gemeente hanteren bijvoorbeeld toetsing op basis van legeskosten: bij leges boven de €17.500 wordt standaard getoetst en daaronder alleen onder de voorwaarden zoals hierboven ook al genoemd. Daarnaast zijn er gemeenten die toetsen bij bouwactiviteiten in combinatie met een relevant signaal en/of ambtelijke informatie vanaf €50.000.
Ook bij milieubelastende activiteiten verschilt de toepassing. Sommige gemeenten voeren standaard een Bibob-toets uit bij een aanvraag voor een milieubelastende activiteit, terwijl andere gemeenten dit alleen doen als de activiteit valt binnen een risicocategorie.
Deze verschillen tonen aan hoe groot de beleidsvrijheid is in de praktijk en hoe sterk te toetsing afhankelijk kan zijn van de lokale beleidskeuzes.
Beleid versus praktijk
Hoewel veel gemeenten in hun beleid aangeven standaard te toetsen bij risicocategorieën, blijkt dat in de praktijk niet altijd haalbaar. Een gemeente gaf aan dat door beperkte capaciteit er soms keuzes moeten worden gemaakt. Zo kan er alleen getoetst worden bij grote risico’s of duidelijke signalen. Anderen gemeenten geven wel aan altijd te toetsen bij risicocategorieën.
Ook de uitvoeringsstructuur speelt een rol. In kleinere gemeenten wordt Bibob meestal uitgevoerd door één of twee medewerkers die deze taak combineren met andere functies. In grotere gemeenten zijn er vaak medewerkers die zich exclusief op Bibob richten. Dit verschil in capaciteit en ervaring kan leiden tot uiteenlopende interpretaties en beoordelingen van vergelijkbare aanvragen.
Daarnaast kan de beschikbare capaciteit binnen gemeenten invloed hebben. In kleine gemeenten wordt Bibob vaak opgepakt door één of twee medewerkers die deze taak combineren met andere werkzaamheden. Grotere gemeenten hebben vaak werknemers die zich alleen focussen op de toepassing van Bibob.
De uitvoering van de Bibob-toets
De uitvoering van een Bibob-toets kan een langdurig traject zijn. Verschillende gemeenten benoemen in interviews dat aanvragen regelmatig onvolledig worden ingediend, wat leidt tot het moeten indien van aanvullende stukken en vertraging. Wanneer het Landelijk Bureau Bibob (LBB) wordt ingeschakeld kan de procedure worden opgeschort met 12 weken, alleen kan dit ook langer duren.
Tijdens de procedure moet de aanvrager uitgebreide informatie verstrekken, zoals de juridische structuur van het bedrijf, antecedenten en de herkomst van financiering. Wanneer deze informatie onduidelijk is, kan om aanvullende stukken worden gevraagd. Voor aanvragers is het vooraf niet altijd helder welke informatie nodig is, waarom dit nodig is en hoever een gemeente hierin mag gaan.
De uiteindelijke doelstelling van de Bibob toets is dat er voldoende vertrouwen is dat de vergunning rechtmatig en integer wordt gebruikt. In de praktijk blijkt echter dat het beoordelingsproces ruimte laat voor interpretatie, waardoor dit onzekerheid kan opleveren voor de aanvrager.
Gevolgen van de verschillen
De gevolgen van deze verschillen betekent dat een aanvrager in de ene gemeente mogelijk zonder problemen een vergunning aanvraagt, terwijl een vergelijkbare aanvraag in een andere gemeente een uitgebreid Bibob-onderzoek doorloopt. Hoewel dit past binnen de beleidsvrijheid die de Wet Bibob toelaat, kan dit onduidelijk zijn voor de aanvrager.
Daarnaast kan de subjectieve invulling door Bibob-coördinatoren leiden tot verschillende beoordelingen van vergelijkbare situaties. Daarmee speelt niet alleen de locatie van de aanvraag een rol, maar ook de interpretatie van de Bibob-coördinator.
Conclusie
De toepassing van de Wet Bibob blijft dus sterk afhankelijk van lokale beleidskeuzes en de uitvoering daarvan. Gemeenten kunnen op verschillen manieren omgaan met risicosectoren, drempelbedragen en toetsingscriteria. De rol van capaciteit en ervaring binnen de uitvoering kan ook bepalend zijn voor hoe en wanneer een Bibob-toets wordt ingezet.
Hoewel deze beleidsvrijheid begrijpelijk en soms noodzakelijk kan zijn om in te spelen op lokale omstandigheden, kan dit in de praktijk leiden tot ongelijkheid in behandeling en onzekerheid bij aanvragers.
Volgende blog
In mijn volgende blog geef ik zeven praktische tips voor ondernemers die te maken krijgen met een Bibob-toets, met concrete aandachtspunten om vertraging en verrassingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Dit was het beroepsproduct (blog 2 van 3) van Roos Hoogveld, student HAN (4e jaars HBO rechten)
[1] Het onderzoek dat ik uitvoerde in het kader van mijn afstudeerstage, HBO Rechten 4e jaars HAN, januari -juni 2025.

