Arbitrageclausules komen veel voor in aannemingsovereenkomsten. Zo’n clausule houdt in dat geschillen niet aan de civiele rechter, maar aan een arbiter worden voorgelegd, meestal van de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen.
In een recente[1] zaak bleek dat zo’n beding niet altijd overeind blijft: het werd aangemerkt als een algemene voorwaarde én als onredelijk bezwarend in een aannemingsovereenkomst die gesloten was met een particulier.
Deze zaak laat zien dat een arbitragebeding niet per definitie standhoudt, zeker niet in het geval van consumentenovereenkomsten. In deze blog bespreek ik waarom zelfs een expliciet overeengekomen arbitrageclausule onder druk kan komen te staan.
Waar toetsing eerder vrijwel uitsluitend plaatsvond bij arbitragebedingen in algemene voorwaarden, maakt deze uitspraak duidelijk dat ook individueel opgenomen bepalingen in het contract zelf niet vanzelfsprekend overeind blijven.
Een aannemer, werd door de consument-opdrachtgever gedagvaard bij de civiele rechter. De consument stelde dat de afspraken uit de aannemingsovereenkomst niet correct waren nagekomen en vorderde vervangende schadevergoeding.
De aannemer was van mening dat het geschil bij de verkeerde instantie aanhangig was gemaakt. In de overeenkomst (niet in een bijlage met algemene voorwaarden) was namelijk een arbitragebeding opgenomen waarin partijen hadden afgesproken dat geschillen zouden worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor Bouwgeschillen. De aannemer was van mening dat de consument het beding expliciet had aanvaard, omdat de overeenkomst als geheel doorgesproken was. De consument had tijdens de onderhandelingen op het beding geen aanmerkingen gehad. Op grond daarvan werd een incidentele conclusie tot onbevoegdheid ingediend. De rechtbank stelde de aannemer in het ongelijk.
Ook wanneer een beding is opgenomen in de hoofdtekst van een overeenkomst, kan het worden aangemerkt als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW. De rechter toetst dit aan de hand van vragen als:
- Heeft het beding betrekking op de kern van de prestatie?
- Is het beding specifiek geformuleerd en op maat gemaakt?
- Is er afzonderlijk over het beding onderhandeld?
Worden deze vragen ontkennend beantwoord, kan het beding worden aangemerkt als een algemene voorwaarde. Dat betekent dat ook de beschermingsregels uit afdeling 6.5.3 BW van toepassing zijn, waaronder de zogenoemde ‘zwarte lijst’ van artikel 6:236BW.
De zogenoemde ‘zwarte lijst’ van artikel 6:236 BW bevat bedingen die in consumentenovereenkomsten van rechtswege als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Onder sub n valt het beding dat voorziet in de beslechting van geschillen door een ander dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn. Hieronder valt ook het arbitragebeding.
Deze bepaling is van toepassing wanneer sprake is van een overeenkomst tussen een bedrijf dat algemene voorwaarden hanteert en een consument.
Valt een beding onder deze bepaling en is geen keuzetermijn van één maand geboden, dan is het vernietigbaar op grond van artikel 6:233 sub a BW.
In deze zaak had de consument het arbitragebeding niet vooraf vernietigd, maar deed dat pas bij de conclusie van antwoord in het door de aannemer opgeworpen bevoegdheidsincident.
Let op: deze bescherming geldt alleen voor consumenten. Bij rechtspersonen ligt dit anders. Zij worden geacht voldoende deskundig te zijn om de gevolgen van een arbitrageclausule te overzien en vallen daarom niet onder de werking van artikel 6:236 BW.
- Een arbitragebeding in een contract is niet onaantastbaar. Ook niet als het expliciet is opgenomen in de overeenkomst.
- Specifiek onderhandelen over het arbitragebeding is cruciaal. Licht het arbitragebeding afzonderlijk toe, en leg dit schriftelijk vast. Zo voorkom je achteraf discussie.
- Let op de wederpartij: bij een consument gelden strenge regels. Gaat het om een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan is het risico op vernietiging van een arbitragebeding groot. Er gelden geen termijnen voor het vernietigen van het arbitragebeding.
- Wil een arbitragebeding toch toepassen? Zorg dan dat je de consument schriftelijk een termijn van één maand biedt om alsnog voor de overheidsrechter te kiezen, zoals vereist in artikel 6:236 sub n BW. Als de consument daar niet voor kiest, dan is de weg vrij voor arbitrage.
Dit is een blog van Elise van Overbeek, 3e jaars stagiaire HBO Rechten aan de HAN, seizoen januari – juni 2025.
[1] April 2025, nog niet gepubliceerd.

